Van links kwam een auto, van rechts meerdere. Met zijn gedachten elders wachtte hij voor de T-splitsing, die hij elke dag passeerde. De doorgaande weg was voorrangsweg en hij kwam uit de weg door het bos om links af de hoofdweg op te draaien. Na de laatste auto van rechts trok hij op. In zijn ooghoek zag hij van links een flits. Verdomme, een motor! Hij trapte het gas tot op de bodem in. Het lukte de motorrijder een slinger naar rechts te maken en daardoor zijn auto te missen. De auto achter hem was nog niet opgetrokken, daar schoot de motor voor langs. Maar voor de slinger terug naar links was de ruimte te klein. De schuine betonnen rand lanceerde de motor. Nog geen twee meter achter de rand stonden de eerste bomen, waarvoor het beton de bescherming moest vormen.

Zijn eerste opwelling was te stoppen, maar voor hij een eerste mogelijkheid zag, had hij al besloten door te rijden. "Hij had een fout gemaakt, maar die motor zou wel te hard gereden hebben. Dat deden, die snotneuzen altijd. Hij moest aan zijn gezin denken. En helpen kon hij toch niet."

De volgende avond las hij in de krant, dat een 36-jarige motorrijder om het leven was gekomen. De veroorzaker van het ongeluk was doorgereden. Getuigen konden alleen zeggen, dat het een donkerrode BMW was geweest. Die knaap was toch ouder dan hij dacht. "Op die leeftijd nog motorrijden, idioot."

De volgende vier dagen reed hij toch via een andere route naar huis. Maar de vijfde keer stuurde hij gedachtenloos weer de vertrouwde weg op. Het was prachtig lenteweer. De motor moest al enige tijd achter hem gereden hebben voor het tot hem doordrong. Hij wurmde een sigaret uit het pakje en stak hem, even slingerend, aan. "Verdomme, maak je nou niet zenuwachtig. dit betekent toch niks." De motor passeerde. "Wat was er nou?" Even voelde hij een begin van paniek. De motorrijder maakte gebaren, wees naar de rechterkant van zijn auto en minderde dan vaart. Hij minderde ook en stopte achter de motor. De bestuurder stapte af en liep op zijn wagen toe. Even was er echt paniek, tot hij iets opving van: "Uw rechtervoorwiel." "Verrek, het is een meisje." Die twee dingen brachten hem tot rust en hij zette de motor uit en stapte uit. Hij stond net naast zijn auto toen ze bij hem was. Op het zelfde moment hoorde hij opnieuw motorgeluid. Hij draaide zich om en zag nog drie motoren aankomen rijden. In hetzelfde breukdeel van een sekonde kwam haar knie vol in zijn kruis terecht. Hij ging meteen neer. Piepend, kermend en met alle kleuren voor zijn ogen, waarvan je nooit geloofd, dat het echt zo is.

Toen hij weer bijkwam, zat hij weer achter het stuur van zijn auto. Naast hem zat iemand in een motorpak, helm op, vizier gesloten. Ze stonden ergens in een bos. Hij probeerde te bewegen, ontdekte dan dat hij het niet kon. Geen enkele spier reageerde op zijn wil. De man naast hem hield iets voor zijn ogen, een injektiespuit. "Zinloos om te proberen. Dit houdt je lang genoeg erg rustig. Tot aan de uitvoer van het vonnis. De gewone wet komt te laat. Je bent schuldig bevonden aan moord. Moord op een hardwerkende huisvader. Twee kinderen zijn wees, een vrouw weduwe. Je gaat zelfmoord plegen. Op passende wijze. Er zullen voldoende getuigen zijn om dat onomstotelijk aan te tonen. Je auto zal herkend worden als de moordenaarswagen. Je sekretaresse zal getuigen, dat je de laatste dagen nogal depressief was. Je zult je wagen tot topsnelheid opjagen en dan tegen een viaduktpijler te pletter laten rijden. Je zult vlak ervoor nog iemand met pech op de vluchtstrook omzeilen, zodat een ongeluk erg onwaarschijnlijk wordt. Je hoge levensverzekering betaalt niet uit, want zelfmoord is uitgesloten. En onze kleine hulpstukjes, allemaal volledig van plastic, verdwijnen vanzelf in de finale." De man boog zich naar de kontaktsleutel, startte de motor, stapte uit en sloot het portier. Alle paniek, die hij ooit eerder gevoeld had, was slechts een slootje bij de woeste rivier die nu door hem raasde. Hij spande zich tot het uiterste in om te bewegen, volkomen tevergeefs. Er klonk een klik en de auto begon hobbelend over het bospad te rijden. De paar keer dat de achteruitkijkspiegel in zijn blikveld kwam, zag hij, dat er een motor achter hem reed.

Na een paar honderd meter draaide de wagen een doorgaande weg op. De feilloosheid waarmee, dit gebeurde, bevestigde de woorden van de man in het motorpak op de meest dramatische wijze. Ze zouden hem echt vermoorden. En het zou echt zelfmoord lijken. Onder een viadukt door, linksaf en na een verkeerslicht de oprit naar de snelweg op. Al op de oprit vermeerderde de auto vaart. Toen hij invoegde reed de wagen al dik 150 km per uur. De motor reed nog steeds dicht er achter. Een paar kilometer ging het over de linkerrijstrook, dan schoot de BMW opeens de vluchtstrook op en brullend trok de wagen nu verder op. Harder dan hij ooit had durven rijden. Daar! Een gele auto op de vluchtstrook. Er stonden twee mensen naast. Hij rolde bijna van de stoel, maar ook zonder veiligheidsriemen hield de speciaal bestelde stoel hem goed genoeg vast, toen de wagen tussen een vrachtwagen en een Opeltje door naar links schoot en dan voor de vrachtwagen weer terug de vluchtstrook op. Het viadukt was nog tweehonderd meter. De wagen stuurde de berm in, schokkend en schuddend over de harde grond recht op de pijler af.

Hysterisch gillend, badend in het zweet, wist zijn vrouw hem niet anders te kalmeren, dan hem meermalen hard in het gezicht te slaan. "Hou op, je droomt, hou op!" En toen hij eindelijk stiller werd, alleen af en toe verstikt snikkend, verstond ze zij wat hij steeds herhaalde: "Ik vermoord ze. Ik rij ze allemaal dood, al dat tuig. Ik vermoord ze. Ik vermoord ze."


Utrecht 25 januari 1988