Het meest ergerlijke aan oom Jan was zijn ijzersterke gezond heid. Hij was drieenzestig en niets wees er op, dat het bij die score zou blijven. Hij fietste nog elke dag naar het hoofdkantoor, waar de auto met chauffeur stond voor de officiële ritten. En elke middag speelde hij een uur tennis en niets dan enige gezonde transpiratie verscheen op zijn gezicht. Geen blauwe gelaatskleur, geen hortende ademhaling, zelfs geen gebarste adertjes; niets van dit alles. Voor oom Jan natuurlijk bijzonder fijn, maar vanuit mijn standpunt bijzonder lastig. Ik was momenteel bezig "het bedrijf te leren kennen". Hetgeen inhield, dat ik alle rotbaantjes een paar maanden mocht doen tegen het gewone salaris. De vele familiemiljoenen hield oom Jan stevig in de veel te gezonde vingers. Tot de dood van mijn ouders was er geen vuiltje aan de lucht geweest, maar daarna meende oom Jan mijn, naar zijn zeggen, gemiste opvoeding goed te moeten maken en me te veranderen in een echte kerel. Hij was immers ook zo begonnen. Het testament van mijn ouders en een horde advocaten gaven hem helaas de mogelijkheden dat waanzinnige voornemen uit te voeren.

Toen sommige schuldeisers net zo hardnekkig dreigden te worden als ooms weigering mijn toelage op familiepeil te brengen, had ik mijn eerste poging gedaan. De remkabels van zijn sportfiets waren vrijwel geheel doorgevijld. Twee uur was ik in het stikdonker bezig geweest. Een half uur bracht ik 's ochtends door met toenemende ingehouden vreugde. Doch toen verscheen oom alsnog met nog enige restanten struikgewas in zijn haar. De remmen bleken het reeds op het tuinpad begeven te hebben. Enkele blauwe plekken waren de enige verwondingen. Op inwendige bloedingen met fatale afloop viel niet te hopen. Ik besloot het professioneler aan te pakken. Na twee maanden kende ik elke regel ooit door Ellery Queen geschreven, was Edgar Wallace een open boek voor me, Droomde ik John Dickson Carr van voor naar achter en Havank van achter naar voor. Simenon lag naast het ontbijt en Agatha Christie vulde mijn bureau. Kortom ik was geheel op de hoogte.

Op maandagochtend tien uur vijftien brak de kabel van de direktielift bij het passeren van de negende etage. Helaas was oom op de achtste uitgestapt. Hij wilde eens zien hoe het mij verging. Hij vond mij er slecht uitzien en draaide zich dan om. Het fluitende geluid van een langsdonderende liftkooi had zijn aandacht getrokken. Met de opmerking dat ik beter voor mijzelf moest zorgen nam hij kwiek de trap omhoog.

Twee dagen later brandde de direktiekamer uit. Het was een zeer heftige, raadselachtige brand, die echter beperkt bleef tot die ene kamer. Oom was die dag afgereisd voor een plotselinge bespreking. Hij vond de brand prima uitkomen. Hij wilde toch een nieuw behangetje en nu betaalde de verzekering het voor hem.

Ik besloot het toeval beter uit te schakelen. De volgende dag lag er een te pletter gevallen inbreker voor de hoofdingang met naast hem de direktiestoel, waarin normaal alleen oom Jan zat. Rondom de stoel en de inbreker lagen glasscherven afkomstig van de ruit op de tiende etage. De raketpatroon onderop de stoel, die afgegaan was toen de inbreker op de stoel was gaan zitten en daarmee stoel en boef lanceerde, was geheel volgens de berekeningen weggeslagen en ver uit de buurt terecht gekomen. Niemand begreep daardoor wat er gebeurd was. Met ijzersterk optimisme zette ik mij opnieuw in voor de taak de werkgelegenheid van onder andere veel horecapersoneel de toekomst veilig te stellen. Helaas bleek de zo moeizaam verworven schorpioen, die listig in de hoes van ooms tennisracket was geplaatst, niet bestand tegen de klem van de bagagedrager van de sportfiets. De raadselachtige dood van een werkster in het direktikantoor loste voor mij wel het raadsel op waar de whisky uit de ingebouwde bar bleef, maar niet de overige problemen.

Ik begon te wanhopen. Een lezing van een gepensioneerd kolonel werd een knalsucces. Zijn houten namaakgranaat bleek echt te kunnen exploderen. Oom Jan zat net op zijn knieën onder een bank zijn gevallen sigaar te zoeken en kwam met de schrik vrij. Het werd eentonig. Ik begon nu met gekombineerde akties. De resultaten waren omgekeerd evenredig. Doordat oom Jan tijdig en heel knap uitweek voor een tientons vrachtwagen, die door de remmen was gegaan, ontkwam hij aan een kogelregen, die een uzischutter in zijn richting sproeide, die nu echter de vrachtwagen trof, die daardoor in brand vloog en door het struikgewas ploegde en daar een man met een formidabele voorraad werpmessen platreed. Doordat oom eerst een getuigenverklaring moest afleggen kreeg de scherpschutter tegenover het hoofdkantoor kramp toen oom eindelijk verscheen en schoot mis. Hij raakte de koffiejuffrouw, die het blad met koffie liet vallen. De koffie of beter wat daar voor door moest gaan brandde dwars door de vloer en veroorzaakte kortsluiting in de draden, die voor een dodelijke spanning op de metalen delen van het bureau moesten zorgen.

Oom Jan moest nu onderhand vermoeden, dat iemand het op hem voorzien had, maar hij liet niets blijken. Hij vond het allemaal bijzonder amusant en liet welgemoed de chaos opruimen, terwijl hij zelf vakantie nam tijdens het opbouwwerk. Het werd een avontuurlijke vakantie. Zijn jacht zonk, zijn auto explodeerde, de trein die hij nam ontspoorde. In zijn vakantieland brak een revolutie uit. Zijn oerwoudgidsen verdwenen in het holst van de nacht, enzovoort, enzovoort. Drie maanden later stapte hij opgewekt en gebruind het kleine hok binnen, dat voor mijn kantoor placht door te gaan. Hij vroeg mij mee te komen en we gingen naar de diepste kelder. Hij opende de grote kluis, waarvan alleen hij de kombinatie kende, en wandelde naar binnen. Ik volgde hem. Het is een machtig gezicht, de neerslag van het enorme imperium, dat mij eens in handen moest vallen. Goud, edelstenen en zelfs gewoon geld, waardepapieren, belangrijke kontrakten en nog veel meer. "Je hebt een gave om alles fout te doen", zei oom. "Op een werkelijk grootse wijze weliswaar, maar het lukt je nooit. Maar ik moet toegeven: je hebt me geamuseerd. En nu zal ik je maar de oplossing geven voor het probleem,dat je zo dwars zit. Weet je? Je had minstens eens per week een goede kans." Schaterlachend liep hij de kluis uit en voor ik van de verbazing bekomen was, sloeg de kluisdeur, die tegen een atoombom bestand is, dicht. Ik heb nog een troost. Arm zal ik niet sterven.


Utrecht 3 juni 1977