Vier dagen lig ik nu al hier. Hier in dit zaaltje met zijn zes bedden. Vijf hagelwit en leeg. Het ruikt naar chloroform. Niet sterk, want de ventilatie is goed. De ramen kijken uit over een groot grasveld met langs de randen bloemen. Over de weg daarachter komt af en toe iemand langs. Niet zo vaak. Ze zijn allen gekleed in militaire uniformen en lopen gehaast zonder ergens acht op te slaan.

Vier dagen geleden ben ik hier gekomen. Een auto stopte voor de deur. Een jongeman in een witte doktersjas was uitgestapt en had aangebeld. Hij noemde mijn naam en vroeg me in te stappen. De auto voerde me ver de stad uit: verder dan ik ooit geweest was. We reden tussen huizen met tuinen door en tenslotte zelfs langs losstaande huizen. Dan draaide de auto een hek in. Na een lange oprijlaan kwamen we bij een groot betonnen kompleks. We stapten uit en de jongeman ging me voor het gebouw in.

In de hal zat een man in uniform, die groette en dan weer doorging met lezen in een vies, oud boek, dat sterk kontrasteerde met het moderne gladde interieur. Na een groot aantal eindeloze, lege gangen stapte de jongeman een kamertje binnen. Er stonden twee stoelen en een stalen buro. Voor de tweede keer hoorde ik hem spreken. Hij noteerde mijn naam en nummer op een formulier en bracht me dan door weer een andere gang naar een zaaltje met zes bedden. "Zoek er maar een uit", zei hij, pakte een grote blauwe piama en twee pantoffels uit een kast en vroeg me die aan te trekken en verliet het zaaltje weer. De piama bleek veel te groot, maar kon gelukkig dichtgebonden worden. Na een half uur kwam de jongeman terug, pakte mijn kleren en zei me, dat het toilet twee deuren verder links was, waarna hij wegging. Ik ging op bed liggen en wachtte op wat er gebeuren zou.

Een uur later kwam een man in uniform eten brengen. Hij zei geen woord, zette het eten voor me neer en ging weg om na een uur terug te komen om de resten te halen. Zo ging het vier dagen drie ker per dag. Verder kwam er niemand, was er niemand. Als ik naar het toilet ging, was de gang stil en verlaten. Niemand anders scheen er te zijn. De tweede nacht ben ik verder gelopen, maar nergens kwam ik iemand tegen in dit eindeloze doolhof van gangen. Alle deuren waren op slot. Nergens brandde licht.

Maar gisteravond vond ik een leeg sigarettenpakje op het toilet. Ik denk, dat het van de man is, die mij eten brengt. Met behulp van het zilverpapier uit het pakje veroorzaakte ik kortsluiting in het lampje bij het bed naast het mijne. Lamp eruit draaien; er weer in met het zilverpapier om de onderkant en dan de lamp even aan en weer uit. Er was even een lichtflits bij de schakelaar en daarna niets meer. Ik probeerde de schakelaar bij mijn bed. Het lichtje gaf geen licht. Twee uur later ging het aan. Ik verwachtte, dat er iemand zou komen om de oorzaak van de kortsluiting te zoeken. Er verscheen echter niemand. Alleen kwam de man, zwijgend als steeds, me op de gewone tijd eten brengen. Hij bleef zwijgen toen ik hem vroeg of er kortsluiting was geweest. Keek zelfs niet op toen ik me tot hem richtte. Nadat hij het blad weer opgehaald had, liet ik de zekering nogmaals doorslaan. Nu kwam het licht binnen vijf minuten terug. Nog vijfmaal liet ik de zekering doorslaan. Toen na de vijfde keer hoorde ik voetstappen naderen op de gang.

De deur ging met een ruk open en vier mannen in uniform kwamen de zaal binnen. Ook zij zeiden geen woord. Ieder van hen had een gummiknuppel in de hand. De voorste rukte me overeind en duwde me het bed uit. Ik kwam op handen en voeten terecht. Ik wilde opstaan, maar een gummiknuppel raakte mijn schouder en ik viel weer. Twee, drie, vier slagen raakten me. Dan sleurden ze me naar het midden van de zaal en sloegen op me in. Na enige minuten, die uren leken, verloor ik het bewustzijn.

Ik weet niet hoe lang ik bewusteloos ben geweest, maar het was nog steeds donker, toen ik bijkwam. Mijn piama was gescheurd en ik proefde bloed in mijn mond. Ik strompelde naar de wasbak en wilde het zaallicht aandoen. Maar het bleef donker, hoe vaak ik de schakelaar ook overhaalde. Met veel moeite, alles deed me pijn, bereikte ik een bed en probeerde daar de schakelaar van het bedlampje. Ook die gaf geen licht. Ik probeerde nog twee andere lampen, eveneens zonder resultaat, tot ik uitgeput op de grond neerzonk en me eindelijk realiseerde dat de elektriciteit was afgesloten. Ik voelde me wanhopig, mijn hoofd, armen en benen, alles deed pijn. Na een paar minuten hees ik me overeind en wankelde naar het raam. Het licht van de maan zou me van nut zijn. Maar in plaats van glas voelde ik staal. Na enige tijd kwam ik er achter, dat er een groot stalen scherm voor het glas was neergelaten. Snikkend zakte ik in elkaar. En al huilend moet ik in slaap gevallen zijn.

Toen ik wakker werd, was het alsof er niets gebeurd was. De man, die me eten bracht, zette juist een ontbijt neer, keek even naar me, draaide zich om en liep de zaal uit, de deur zacht achter zich sluitend. Ik lag in bed, de dekens keurig en een schone pijama aan. Mijn lichaam was op sommige plaatsen nog wel gevoelig, maar echt pijn had ik niet meer. Tot mijn verbazing scheen de zon over een verlaten grasveld met bloemen en een stille weg.

Vier dagen zijn er vijf geworden, vijf werd zes, zes werd zeven. Nu meer dan een eeuw later, of is het een eeuwigheid, lees ik de woorden, die ik kort na de gebeurtenissen van toen geschreven heb. Overal zijn deze woorden gedrukt, gelezen en voorgelezen. Vergezeld van propaganda, brallerige toespraken en vele zogenaamde wijze lessen. Een maand na die week heb ik deze woorden geschreven. Een maand, nadat er op de achtste dag plotseling vele mannen over het tot dan toe verlaten grasveld renden. Monsterachtige machines de bloemen langs de rand platreden en vuurden op de grote gebouwen van het kompleks. Het duurde meer dan drie uren voor de stilte weer terugkeerde. Vele mannen, in allerlei uniformen, lagen op het grasveld. Velen dood, sommigen nog levend, maar allen zwaar verminkt. Het gras was verbrand; de grond opengereten. Een uur later hoorde ik geschreeuw op de gang. De deur sloeg open en een tiental mannen kwamen de zaal in, schreeuwend, brullend, trokken de dekens van mijn bed; namen mij op de schouders en voerden me door de eindeloze gangen naar buiten. Vlakbij de zaal, waar ik gelegen had, zag ik een dode liggen. Het was de man, die me steeds eten had gebracht. Zijn achterhoofd was door een enorme slag verbrijzeld.

De gebeurtenissen daarna waren een grote chaos. Ik werd geëerd als een held. Getoond aan de menigten. Het enige slachtoffer dat het overleefd had. Ik moest vele malen vertellen, wat ik beleefd had voor video en zelfs in direkte uitzendingen. Steeds was ik bang, dat het te weinig zou zijn, dat men er achter zou komen, dat ik niets begreep van alles, wat er gebeurd was en gebeurde. Maar steeds was men even enthousiast en scheen men mij voor een grotere held te houden. Men bracht mij naar een prachtig appartement boven in een groot gebouwenkompleks ergens aan de kust. Ik mocht alleen het appartement niet verlaten, want er zwierven nog steeds reaktionaire elementen rond zei men.

In de jaren, die daarop volgden nam de belangstelling voor mijn persoon langzaam af. De mensen, die voor mij zorgden, werden vervangen door machines. Ze zorgden goed voor me; gaven me goed te eten, zorgden voor ontspannende boeken en video en genazen me als ik ziek werd. En zorgden ervoor, dat ik het appartement niet verliet.

Toen er helemaal geen mensen meer kwamen, maakten de machines de buitendeur voorgoed dicht. 's Avonds zat ik op het balkon meer dan honderd meter boven de golven, die op de kust beukten en keek naar de zonsondergang. Het was het enige wat ik nog deed, aan lezen en video kijken had ik geen behoefte meer.

De jaren gingen voorbij. Ik zag geen schepen meer op zee, geen vliegtuigen in de lucht en evenmin hoorde ik 's avonds nog het hoge geluid van pendelraketten, die mensen omhoogbrachten op het begin van hun verre reizen. Soms verlangde ik terug naar die week; op de weg langs het grasveld liepen tenminste af en toe mensen langs.

De machines zorgen goed voor me. Ik moet al meer dan anderhalve eeuw leven, maar mijn lichaam houden ze steeds hetzelfde als toen, toen ik de grote held, de enige die het overleefd had, was. Ze zorgen goed voor mij.

Utrecht, juni 1974