De oproep van de Machines kwam volkomen onverwacht. Ik had vernomen, dat ik een hogere funktie zou krijgen, maar dat de Machines zelf mij een oproep zouden sturen, had ik nooit verwacht. Ik meldde me precies op tijd bij de ingang van het grote kompleks, dat het centrum van Sentrasita vormde, dat weer het middelpunt van het grote Aardse rijk was. Een staat bestuurt door enorme denkmachines. Hier in het kompleks zetelden de zeven machines, de enige die een dergelijk rijk, dat alle aardse volkeren omvatte, konden regeren. Mensen voerden hun bevelen uit. Ze hadden de laatste der oorlogen bevolen met de zekerheid dat dit werkelijk de laatste zou zijn. Als jongeman, nu dertig jaar geleden, had ik mee gewerkt aan deze oorlog en mijn raketten feilloos naar hun doel gestuurd. En het was de laatste oorlog geweest. Daarna had het enorme rijk slechts vrede en niets dan vrede gekend. In de stad was iemand van zeventig nog aan het begin van zijn leven. Wetenschap reikte naar de uiterste grenzen.
Het domein van de machines was overweldigend. Een technikus van de derde kring leidde me naar een zaal, waar enige rond een station van de machines zaten. Ik herkende het uniform van technikus van de eerste kring, dat twee mensen droegen. Ik was verbaasd hun te zien. Dan weerklonk een stem uit het station. De machines spraken en ze spraken tot mij. Ik zou de jongste der technici van de eerste kring worden. De machines zeiden mij, dat ze iemand nodig hadden met kennis van de geschiedenis van de denkmachines. Ik had enige publikaties op dit gebied op mijn naam staan. Dat en mijn gave om nieuwe originele paden te vinden en mijn doorzettingsvermogen hadden de keus op mij doen vallen, deelden de machines mij mee. Het duurde enige tijd voor ik geheel over mijn verbazing heen was. Ik een technikus van de eerste kring!

De zevende machine werd de machine, waarmee ik direkt zou samenwerken. Ik verhuisde naar een in mijn ogen ongelooflijk grote wooneenheid in het kompleks. Vijf jaar verliepen, waarin ik vrijwel alle literatuur uit de begintijd van de machines, die nog beschikbaar was, doorspitte. Computers heetten ze toendertijd. En vijf jaar genoot ik van de luxe, die een technikus van de eerste kring ter beschikking stond. Een luxe, die ik nooit vermoed had mogelijk te zijn. We moesten immers allen zuinig doen om de wereld weer op te bouwen en te kunnen reinigen na de grote rampen en oorlogen van de vorige eeuwen. Maar het was toch wel plezierig om tot die bevoorrechte groep te behoren, die niet zo zuinig hoefde te doen. Al die tijd zochten wij, de machine en ik, zonder zelfs de geringste aanwijzing te vinden. Er scheen een volledig brok informatie weg te zijn. Dan vond ik eindelijk iets, waarvan ik bijna zeker wist, dat het van belang zou zijn. Het was geen technische of wetenschappelijke publikatie, maar daar van was niets, wisten we al. Wat ik vond was een kort verslag over verhalen, die bij enkele primitieve volkeren mondeling werd overgeleverd. Ik vroeg de machine in deze rchting verder te zoeken en er kwam dus een stortvloed van sagen en sprookjes en dergelijke.
Vier weken las ik aan een stuk. Zelfs de avonden en delen van de nachten besteedde ik aan het uitschiften van de nieuwe informatie. Ik voelde, dat ik nu eindelijk iets op het spoor was. Tot ik alles meende te hebben wat in de archieven van de machines was opgeslagen. Verder zou ik alleen komen met echt veldwerk. Ik maakte me dus reisvaardig en vertrok.