Bad command or filename. En daar sta je dan als leraar. Er zou nu een tekenprogramma moeten verschijnen. En daar heb je je op voorbereid. Je probeert het nog eens, maar steeds zie je even die mededeling over het scherm flitsen en de computer staat weer in het pauzeprogramma. Je hebt een klas vol, geen enkele computer reserve, en een aantal leerlingen zijn al met joost-weet-wat bezig, waar je geen zicht meer op hebt. En er is bijna elke les wel op zijn minst een computer, die zo iets doet. Uitermate frustrerend. Zou het zo geregeld kunnen worden, dat het gewoon altijd werkt. Dat je binnenkomt als leraar en alle programma's starten gewoon. Helaas. Is er überhaupt een praktikumruimte, waarin altijd alles correct werkt? Is er eigenlijk wel een apparaat in de ruimste zin van het woord, dat altijd correct werkt? Die auto voor de deur, start die altijd? Die motor, heeft die nooit een storing?

Op een technische school kun je een reeks van oorzaken noemen, waarom er op geen enkele van de bovenstaande op de school van toepassing zijnde vragen een bevestigend antwoord gegeven kan worden. Laten we ons beperken tot de computerlokalen en op zoek gaan naar de redenen waarom niet alles werkt, zoals we verwachten.

Allereerst de meest eenvoudige reden. Er zijn leerlingen en helaas ook personeelsleden, die apparatuur van school totaal anders benaderen dan hun eigen spullen. Nauwelijks tot niet gemotiveerde leerlingen zien de apparatuur niet als hulpmiddelen om iets te leren, zien meestal de school in zijn geheel niet als een zinvol instituut. Zelfs bij een gering aantal leerlingen van dit slag, sneuvelt er genoeg om de beheerders van praktikumlokalen ernstig te ontmoedigen. Zo verdwijnen in de computerlokalen de ballen uit muizen, treedt er herhaaldelijk draadbreuk in hun snoeren op, worden toetsenborden verbouwd of letterlijk stukgeslagen, sneuvelen harddisks enzovoort. En degene, die het volgende uur achter die computer komt te zitten en de leraar hebben een probleem. Een eveneens ontmoedigend probleem.

Dit hangt samen met een tweede reden. Personal computers bestaan nog geen vijftien jaar. In die tijd is er een razendsnelle ontwikkeling geweest. Echter niet gericht op verbetering van het produkt. De levensduur van een bepaald ontwerp ligt op minder dan twee jaar. De verkoop in het eerste half jaar bepaalt of er winst op gemaakt kan worden. Dat geldt zowel voor de software als de hardware. Niets is meer foutvrij. Missers als dBase IV, Wordperfect 5.0, MSDOS 4.0, PcTools 7.0 en nog vele andere laten zien, dat zelfs wereldwijd opererende bedrijven geen stabiel produkt kunnen garanderen. En voor de hardware geldt exact hetzelfde. De huidige PC's zijn gewoon verre van perfect. En het ziet er niet naar uit, dat daar in afzienbare tijd verandering in komt.

Vergelijken we de computerindustrie eens met de motorindustrie. Wat grootte en kwaliteitsniveau kun je Compaq goed vergelijken met BMW. De K75 motor is ongeveer even oud als de PC. Toch is het 1992 model vrijwel gelijk aan het oorspronkelijke model. Elk jaar kwamen er kleine verbeteringen met als resultaat, dat een reeds goed ontwerp een onvoorstelbare perfectie bereikt. BMW begon aan het project met een ervaring van zestig jaar kwaliteitsmotoren bouwen. Als Compaq op dezelfde wijze te werk zou gaan, zouden ze nu een echt betrouwbare XT leveren. Die geen hond meer zou kopen. Nee, met ongeveer dezelfde middelen aan mensen, kapitaal en technologische hulpmiddelen hebben ze de XT, turbo XT, AT, turbo AT, 386, 386SX, 486 al geleverd en zijn ze nu hard bezig met het ontwerp van de 586 machines. En bovendien begonnen met nul komma nul ervaring.

Een volgende reden is de kennis van het met de computer te geven vak. Volkomen onterecht wordt de computer als een neutraal hulpmiddel gezien. Tekenen op een computer wordt geacht een vorm van tekenen te zijn. Alleen is de tekentafel vervangen door een ander apparaat. Een volledig foute gedachte. Het is echt een volledig ander vak. Zelfs als de computer een betrouwbaar apparaat zou zijn en de docent daar volledig op zou kunnen vertrouwen en van de computer als zodanig geen kennis hoefde te bezitten, dan is het vak nog volledig verschillend. Alleen het eindprodukt, de tekening, is gelijk. Toch worden leraren bekwaam om traditioneel tekenen te geven opgezadeld met lessen computertekenen. Zou men ook verwachten, dat een leraar werktuigbouw zonder meer bouwkundelessen kan geven? Of een elektronikaleraar direct tussen de freesbanken zetten?

Een vierde reden is de kennis van de computer en zijn werking zelf. We hebben al gezien, dat die kennis nodig is gezien de betrouwbaarheid van de computers. Enige simpele berekeningen laten zien, dat volledig op de systeembeheerder steunen onmogelijk is. Een eenvoudige controle van uitsluitend de basisfunkties van een computer neemt ongeveer vijf minuten in beslag. Een lokaal met 20 computers vereist dus ongeveer anderhalf uur. En dan kan bij de eerste de beste toetsaanslag toch een storing optreden. Preventief onderhoud is bij computers gewoon onzin. In de bedrijfswereld houdt men reservesystemen in voorraad voor hardwarestoringen en backup's voor software problemen. Het is dus een kwestie van wachten tot de storing zich voordoet. Tijd om de storingen ook nog te verhelpen, bestaande programmatuur aan te passen, nieuwe te installeren, virusbestrijding uit te voeren of bescherming daartegen in te bouwen, het netwerk te onderhouden, nieuwe computers te bouwen en wat al niet meer, is er dan niet meer. In een rapport van het PRINT project wordt geadviseerd per 25 computers een fulltime systeembeheerder in dienst te nemen. Een aantal, dat geen enkele school zich kan veroorloven. Een computergebruiker zal dus net als de automobilist uit het begin van deze eeuw in staat moeten zijn problemen zelf te verhelpen. Voor de echt ernstige problemen is er de systeembeheerder, maar de gebruiker cq docent moet in staat zijn een eerste diagnose te stellen en de meeste problemen zelf te verhelpen.

Hoe krijgen we het voor elkaar om de computerpraktika beter te laten functioneren? Aan de tweede reden kunnen we binnen de school niets doen. We zullen moeten werken met wat er te krijgen is en bovendien door de vraag van het bedrijfsleven mee moeten gaan in de waanzinnige ratrace van steeds snellere, meer geavanceerde en kwetsbaarder apparatuur en steeds complexere en vermoedelijk instabielere en moeilijker te bedienen software.

Voor het derde genoemde punt is ook moeilijk een oplossing te vinden. De docent moet zich een volkomen nieuw vak eigen maken, dat op een totaal ander terrein ligt, dan zijn eigen. We mogen hopelijk aannemen, dat dat eigen terrein, het gebied van de techniek is waar zijn belangstelling naar uitgaat. En een nieuw vak op een ander terrein is op zijn zachts gezegd niet iets, waar een ieder zich nu enthousiast op zal storten. Maar weinig van zijn huidige kennis is bruikbaar. Er zal zeker gerekend moeten worden op gemiddeld enkele jaren actief bekwamen in het betreffende computervak. In het bedrijfsleven gaat men er bijvoorbeeld van uit, dat het een jaar duurt om een bekwame tekenaar aan de tekentafel naar gelijke bekwaamheid aan de computer om te schakelen. En die man of vrouw is fulltime bezig.

Het laatst genoemde probleem lijkt op het eerste gezicht eenvoudig op te lossen. En is dat beslist niet. Laat ik het uitleggen aan de hand van een motorfiets. Maar men kan er elk willekeurig technisch apparaat voor substitueren, een auto, televisie, draaibank, of wat dan ook. Ik rij er mee. Plotseling begint de motor over te slaan en stopt er even later mee. Wat is er aan de hand? Ik haal het handboekje te voorschijn en sla het hoofdstuk storingen op. Daar worden een aantal storingen met de oplossingen genoemd. Benzine. Ik open de tankdop en schud de machine. Er klotst duidelijk benzine. Bougies. Ik schroef de bougies, de aanwijzingen in het boekje volgend, eruit. Ze zien er goed uit. En zo alle genoemde mogelijkheden langs. Hij start nu wel, maar zo gauw ik op stap en weg wil rijden en gas geef slaat hij weer af. Ik zit vast. In de berm zittend bekijk ik de op de bok staande machine en probeer een oplossing te vinden. Waar kijk ik naar? De kleur van de machine, de temperatuur van de cilinders, de toestand van de voorrem? Er zijn honderden eigenschappen te noemen van deze motor hier en nu. Wat is relevant en wat niet? Er is een belangrijk verschil tussen het werkelijk beeld van deze motor en zoals ik hem op dat moment zie. Ik weet, hoe de andere kant, hoe het inwendige eruit ziet. In gedachten zie ik de elektrische bedrading lopen, de brandstofleidingen, luchtfilter enzovoort.

In werkelijkheid kijk ik niet naar die echte motorfiets, maar naar een gedachtenmotorfiets. Die gedachtenmotor is in de loop van de jaren opgebouwd. Als ik iets wil controleren, ga ik eerst met die virtuele motor aan het werk. En dan pas voer ik de echte controle uit. Neem ik daar waar wat ik verwacht, dan weet ik dat ik juist zat. Hiermee komen we bij het onderwijs zoals aan de school gegeven wordt. Er verlaten leerlingen de school met een diploma, die nooit dit niveau halen. Ze hebben handboekjes uit hun hoofd geleerd. Komen ze een probleem op hun vakgebied tegen, dan grijpen ze het boekje en proberen alle genoemde kunstjes. Apekunstjes. En meestal werken die ook nog, want de meeste storingen zijn min of meer standaard. Zeker bij moderne technische apparaten, waar vervanging steeds meer de plaats van reparatie inneemt. Maar echte techneuten zijn deze leerlingen beslist niet en ze zullen het nooit worden.

Een veel grotere groep leerlingen hebben zich gelukkig wel die techniek van het virtuele apparaat eigen gemaakt. Die zijn dan ook in staat om storingen, die niet in het boekje staan, te vinden. En om nieuwe apparatuur te ontwikkelen. Dan is er nog een derde categorie. Waarin ook leerlingen zitten, die niet eens het diploma halen. Dat zijn de echte vaklui. Iedere docent kan wel zo'n leerling noemen. Zo'n jongen of meisje, dat misschien met moeite tot het stagejaar is gekomen en vervolgens al een baan heeft voordat de stage half voorbij is. Zo'n knaap met gouden handjes. Die oplost, wat niemand lukt, die maakt wat zijn ogen zien of hoe men het ook noemt. Het verschil tussen deze mensen en de tweede categorie, de 'gewone' vaklui, is een essentieel verschil in visie op techniek. Als je een produkt van iemand uit de derde categorie tegenkomt, voel je het direkt. Dit is werk van iemand met hart voor de techniek. Het is perfect. Of het nu een kozijn, een stuk laswerk, een elektronische schakeling of een computertekening is. Je vindt het ook bij amateurs. Mensen, die uit hobby ergens mee bezig zijn. Kijk je naar dit soort mensen aan het werk, dan zul je waarnemen, dat ze veel vaker schijnbaar niets doen. Uw auto heeft een onverklaarbare storing. Is al verschillende malen bij de garage geweest, maar nog steeds doet het euvel zich voor. De motorkap gaat voor de zoveelste maal open, meerdere monteurs gaan driftig aan de slag met demonteren, doorblazen, vervangen. En dan stapt die andere monteur naar voren, die tot nu toe niets gedaan heeft, verschuift een palletje of zoiets, start de motor en hij loopt opeens zonder enig probleem. Die laatste monteur gaat ook anders met het materiaal om. Hij gebruikt geen schroevendraaier als beitel, doet nooit even snel iets. Draait ook het laatste schroefje er rustig en netjes in. Zo zien we op school, dat als er iets gedaan moet worden, een televisie gemaakt, een stuk laswerk nodig is, men liever naar docent A stapt dan naar B.

Wat heeft deze man of vrouw nu, wat de mensen uit de tweede categorie niet hebben. Niet de kennis. Docent B heeft misschien wel meer kennis over het vak, dan docent A. Alle monteurs uit die garage kunnen achteraf uitleggen wat er gebeurd is en waarom dat die gevolgen heeft. In de wiskunde spreken we van fraaie oplossingen. En dat benadert het begrip, dat een van de essenties is van het verschil tussen de mensen van de tweede en de laatste categorie. Schoonheid. Schoonheid is een puur subjectief begrip. De gewone vaklui zijn slachtoffer van het subject-object dualisme. Hier ben ik en daar is het apparaat, de motor, de auto, het kozijn, de computer. Twee volledig gescheiden objecten. Dat ding daar is volledig te beschrijven en onveranderlijk, gehoorzamend aan de wet van Ohm of buigingsberekeningen of wat voor toepasselijke technische wet dan ook en heeft in wezen niets met mij te maken. Daar trainen wij onze leerlingen ook in. Daar zijn helaas de meeste docenten in getraind. Vakmanschap wordt gemeten in kennis. Desnoods de aapjeskennis van het handboekje. Aan de hand van de cijfers kun je die knaap met de gouden handjes niet vinden.

Voor deze mensen is er geen afstand tussen het object, het apparaat, de wiskundeopgave, het computerprogramma en hun eigen ik. Het beeld, dat hij of zij in gedachten heeft, is fraai, mooi, bezit schoonheid, elegantie, heeft kwaliteit. Puur subjectieve begrippen. Zo moet het, want zo bevalt het me. Dan wordt de kennis gebruikt om de discrepantie tussen de werkelijheid en het gedachtenbeeld zo klein mogelijk te laten zijn. Daarom zie je deze mensen zo vaak schijnbaar niets doen. Ze zijn hard aan het werk, maar in de geest. Wat is er anders aan die motor, wat hoort niet zo te zijn. Wat relevant is en wat niet is dan ook geen vraag meer. Hart voor het werk, geïnteresseerd, enthousiast. Van het Griekse woord enthousiasmos, wat letterlijk 'gevuld met theos', god betekend. En in de Griekse beleveningswereld stond theos voor het hogere, betere, schonere, voor kwaliteit. Een gebrek aan kennis is dan nooit een probleem voor een enthousiast iemand. De richting waarin gezocht moet worden ligt voor de hand en er zijn boeken of andere bronnen van kennis genoeg te vinden.

Een personal computer, waarop programma's draaien is een onvoorstelbaar complex geheel. Een aapjeshandboek maken, waarin te vinden staat als hij dit niet doet, doe dan dat, is nauwelijks mogelijk. Een cursusje troubleshooting van twee, drie avonden is dus onzin. Ik kan duizend storingen noemen en vierduizend mogelijke oplossingen, maar de kans op storing duizendeen is even groot als op een van die eerste duizend. Bovendien valt er weinig te zien of meten aan een computer. Bij een blik in de motorkap van een auto kun je zien, dat er een knik in de benzineleiding zit en er dus te weinig brandstof in de carburateur komt. Een blik in een computer leert je niets. Alleen aan het eind van het proces staat het scherm. Wie geen beeld in gedachten heeft van de processen, die zich daar binnen af spelen is nauwelijks in staat iets te doen aan een probleem. En software is helemaal abstract. Hier is helemaal geen tastbare werkelijkheid meer te vinden. Je kunt iemand leren hoe hij Wordperfect moet gebruiken om een brief te maken. Binnen nauwe grenzen van wat daarvoor nodig is, kom je er met een cursusje. En daardoor stuit zo'n gebruiker regelmatig op problemen, waar hij niet uitkomt. Dit programma volledig beheersen is schier onmogelijk. Het bekende boek van Henk Boeke beslaat 600 bladzijden en is nog lang niet kompleet. De handleiding is 1200 bladzijden groot en ook daarin zijn nog lacunes. En dan spreken we slechts over één programma. Autocad heeft zo mogelijk nog meer mogelijkheden, en dus moeilijkheden. Wie niet enthousiast is, zal nooit boven het aapjeshandboek, dat altijd volslagen ontoereikend zal zijn, uit kunnen komen. En zelfs bij enthousiaste mensen, zoals ik in de avondcursussen tegenkwam, nam het gewoonlijk meer dan een half jaar in beslag voor je merkte, dat het begrip, de virtuele machine ontstond. Maar dan viel de kennis ook niet meer bij te slepen.

Aan de eerste reden, de groep ernstig ongemotiveerde leerlingen, kunnen we iets doen, maar de vraag is of men dit wil. De school zal zijn kwaliteitsnormen sterk moeten op schroeven en niet schromen leerlingen van school te verwijderen. De praktijk wijst uit, dat scholen die dit al langer doen minder tot niet lijden onder leerlingdalingen.

Tot welke conclusies komen we? Computerapparatuur en programmatuur zijn verre van perfect. Van docenten kunnen we niet verwachten, dat ze zich vol enthousiasme op een volledig nieuw vak en apparatuur storten. Het enige wat te verwachten valt is steeds toenemende frustratie. We zullen met een groep leerlingen, hoe klein dan ook, moeten leren leven, die min of meer moedwillig het materiaal slopen. En de systeembeheerders zullen steeds onder hoogspanning achter de problemen aan blijven rennen. De frustraties van het ontbreken van kwaliteit in de computerpraktika, extra gevoed door te grote aantallen leerlingen tegelijk, zijn in het huidige systeem niet te voorkomen.

En die weigerende motor? Er was een poetsdoek onder het zadel verschoven. Het was een oude motor, waarvan het zadel enigszins doorgezakt was. Zo gauw er iemand op ging zitten, drukte de poetsdoek de inlaatopening van het luchtfilter dicht. Een typisch computerprobleem. Twee objecten zonder problemen, die onder bepaalde omstandigheden samen voor een probleem zorgden. De poetsdoek netjes op zijn plaats en hij liep weer als een zonnetje.

Amersfoort 14 mei 1992