I

Helgeel strekten de korenvelden zich uit naar alle kanten tot ver in de grijze mistnevels, waar lucht en land elkaar raakten. Op blote voeten liep ik over het pad. Het deed pijn. Kiezels, scherp en puntig, samen met het zand verwondden mijn zolen. In mijn rechterhand een oude gescheurde, zwarte paraplu.

Het regende zachtjes. Af en toe passeerde ik een zijpaadje, kronkelig en smal. Waar ging dit pad heen?. Waar kwam ik vandaan? Het begon harder te regenen. In de verte hoorde ik het gerommel van onweer. De gescheurde paraplu was nauwelijks bescherming tegen het nu neergutsende water. Dan pas realiseerde ik me, dat ik al de hele tijd iets achter me hoorde op het pad. Het geluid van voetstappen. Ik keek om, maar zag niets. Ik probeerde sneller te lopen, maar de scherpe kiezels deden te veel pijn. Steeds hoorde ik weer die voetstappen achter me, dan snel, dan weer langzaam. Maar elke keer als ik omkeek, dan plotseling, dan langzaam, zag ik niets. Iets volgde me, iets dat ik vreesde, omdat het bekend noch onbekend was.

Dan opeens was het pad afgelopen. Ik stond aan de rand van een grote zandvlakte. Bij het licht van de bliksem, die nu onophoudelijk de lucht verlichtte, zag ik, dat het een enorme vlakte was, omgeven door grote donkere bomen, dreigende woudreuzen, dicht opeen. Ik begon de vlakte over te steken. De paraplu in mijn hand geklemd, dichtgevouwen, gereed om me te verdedigen, als dat nodig mocht zijn. Het geluid achter me was opgehouden. Maar de zekerheid, dat het iets er nog was, deed me, ondanks mijn bloedende voeten zo snel mogelijk door stappen. Ik bleef zo ver mogelijk van de bomen aan de rand vandaan, hoewel ik door de neervallende watergordijnen nauwelijks vijf meter ver kon zien. Onverwacht kwam ik aan het eind van de zandvlakte. Ik stond voor een grote zwarte muur, diep dreigend zwart. Het was opgebouwd uit grote grove blokken en strekte zich zover ik kon zien ononderbroken naar links, rechts en omhoog uit. Nergens zag ik een gat of deur. Duisternis mengde zich nu met de regen en het zicht werd steeds minder. Voetje voor voetje schuifelde ik langs de muur. Een hand liet ik langs de muur glijden, in de ander de paraplu nog steeds geklemd houdend. Ik voelde, dat daar ergens op de vlakte, verborgen in regen en duisternis, iets me gadesloeg en ik huiverde.


II

Dan ontdekte ik de opening. Het leek of er gewoon enige blokken uit de muur ontbraken, maar toen ik erin stapte, bemerkte ik dat het het begin van een gang of tunnel was. In de verte zag ik een vaag lichtschijnsel over het plafond spelen. Dit en mijn angst te blijven, waar ik was, deden mij besluiten de gang in te gaan.

De gang leek kilometers lang. Elke keer als ik het licht meende bereikt te hebben, was er slechts een bocht en zag ik het licht verderop in de tunnel. Het leek voor me weg te vluchten. Het licht; ik moest het bereiken. Steeds harder liep ik, tot ik door de gang rende, me schavend aan de muren, aan de vloer, beide ruw en scherp, als ik struikelde. Mijn voeten bloedden, mijn ellebogen waren ontveld, mijn borst deed pijn, maar steeds krabbelde ik weer op en rende verder. De paraplu was ik al lang verloren. Het licht vluchtte en ik rende, rende tot ik eindelijk niet meer opstond na te zijn gevallen. Doodmoe bleef ik liggen, snakkend naar adem. Het licht verdween niet. Zachtjes bewoog het heen en weer, dan weer bij me vandaan, dan aarzelend weer terug. Het lokte me! Als een gongslag dreunde deze gedachte door mijn hoofd. Ik hees me overeind. Vol afschuw keek ik naar dat lokkende licht. Het scheen te veranderen en waar ik eerst op afgerend was, deed me nu walgen en eerst aarzelend, dan sneller vluchtte ik weg van het licht. Het volgde me niet en al gauw bevond ik me in totale duisternis, die me dwong schuifelend voort te gaan.

Het begon met het zachte piepen van een deur. Daarna het zachte geluid van voetstappen. Dan klonk er opeens gekrijs. Steeds meer geluiden kwamen uit het donker. Gekraak, gestommel, gegil en in de verte een soort doordringend gefluister. Iets vloog gillend vlak langs mijn hoofd. Iets koud sloeg tegen mijn benen. Ik trapte het in een angstbeweging weg. Dan brak het pandemonium helemaal los. In paniek rende ik heen en weer, botsend tegen muren, struikelend en vallend, terwijl mijn lichaam van alle kanten geraakt werd door allerlei dingen, die door de ruimte vlogen. Tenslotte viel ik op de grond, bleef liggen en probeerde mijn geest af te sluiten voor het afgrijselijke gillen, schreeuwen en krijsen.


III

Het geluid scheen langzaam weg te ebben tot er alleen nog slechts een gemurmel bleef, alsof er een grote menigte zacht aan het fluisteren was. Voorzichtig tastte ik om mij heen. Nergens was een muur te ontdekken. De vloer was naadloos steen. Vanuit het duister zag ik een vage schim op me afglijden. Het gefluister klonk harder, indringender. Achter de schim verscheen er nog een, en nog een, en nog meer. Het leken mensen. Vreemd, fluorescerend, naakt, bijna doorschijnend. Mannen en vrouwen, groot en klein, jong en oud, gingen langs me heen en verdwenen in het duister. Ik kon alleen maar kijken. Als verlamd zag ik deze stoet langs me trekken. Ze staarden recht vooruit met dode, nietsziende ogen en al die tijd bleef het gefluister aanhouden. Nu eens hoger van toon, dan weer dalend. Eindeloos leek de stoet voorbij te trekken. Waar was ik, waar was deze plek? Was dit het dodenrijk? Soms meende ik gezichten te herkennen; wilde ik groeten, maar geen klank kreeg ik over mijn lippen. Toen schokte mijn lichaam; een van mijn dierbaarste vrienden liep daar in die rij. Ik probeerde zijn arm te pakken, maar hij ontweek mij en liep door zonder me ook maar een moment aan te kijken. Dan hervond ik mijn stem en schreeuwde het uit, overslaand van emotie, "Weg jullie, weg allemaal. Jullie zijn dood, dood, hoor je, dood!" Mijn stem brak af met een snik. Mijn knie‰n knikten en ik zakte langzaam in elkaar. Nog steeds bleef de eindeloze processie voorbij trekken. Maar nu waren in het gefluister woorden te herkennen. Woorden, die ik verstond. "Ben je bang voor ons, bang voor ons, jij bent het, jij hebt ons hier gebracht. Door jou zullen we de zon nooit meer zien, nooit meer lopen in de stad, die eens was. Nooit meer zullen de kinderen spelen in het gras, nooit meer, nooit meer. Nooit meer zullen de mensen zingen, nooit meer zal de liefde onze harten verlichten. Nooit meer! Jij deed dat, jij, jij, jij!" Er brak iets in mijn hoofd en diepzwarte duisternis ontfermde zich over mij.


IV

Traag ontwaakte ik. Door mijn nog gesloten oogleden zag ik het licht van de zon, die over mijn gezicht speelde. Ik opende mijn ogen en keek rond. Het licht deed mij knipperen. Ik lag in een bed. Een prachtig hemelbed. De lakens voelde aan als de duurste zijde. De witte dekens waren in prachtige patronen met fantastische kleuren geborduurd. Het bed stond midden in een magnifiek landschap. Een ware tuin van Eden. Prachtige fruitbomen beladen met het fraaiste fruit stonden te midden van bedden van rozen, orchideeën en vele andere exotische bloemen. Konijntjes, eekhoorns en schitterende vogels komplementeerden dit ongelooflijk palet van schoonheid. Ik stapte uit het bed. Mijn armen en benen voelden aan of ik jaren gelegen had, maar snel keerde het gevoel terug. Als verdwaasd liep ik door deze tuin en liet de schoonheid op me inwerken. Het was zo prachtig. Ik strekte mijn hand uit naar een glanzende appel, maar toen ik hem aanraakte, veranderde hij. En in mijn hand hield ik slechts een afgrijselijk stuk verrotting, dat ik walgend van me afwierp. Ik greep een andere appel en ook deze veranderde in een walgelijk stuk rottende materie. Dan een peer, een banaan. Alles verrotte als ik mijn hand er naar uitstrekte en toen ik in de buurt van een vogel kwam, veranderde die voor mijn ogen in een gruwelijke hellevogel, die krijsend zijn klauwen naar me uitsloeg. Met een enorme snelheid veranderde de tuin in een hel van krijsende vogels; bomen, die bestonden uit wriemelende gifgroene slangen, hun bekken naar mij opengesperd, druipend van het gif. Ik begon te rennen in een poging om aan deze nachtmerrie te ontvluchten, maar de vogels waren sneller en joegen me heen en weer en joegen me als een opgejaagd konijn heen en weer. De jacht scheen uren te duren tot ik tenslotte uitgeput neerviel, niet in staat nog een stap te zetten. Onder hels gekrijs doken de vogels op me neer elkaar bijtend en krabbend en voelde ik de scherpe nagels door zijn mijn huid dringen.


V

Ik probeerde me nog te verdedigen, maar mijn weerstand brak al gauw. Ik was te moe om nog bang te zijn voor de dood, die nu zo nabij scheen. Alleen hoopte ik nog, dat het snel zou gebeuren. De vogels doodden me echter niet. De stank uit hun opengesperde strotten deed mij kokhalzen. Hun klauwen grepen me beet en ze stegen op. Vele pijnscheuten voelde ik, terwijl ze met trage vleugelslag hoger en hoger stegen. Bijtende kou deed me nog meer ineenkrimpen. Af en toe liet een van de vogels me los, zodat ik slechts aan een been of arm hangend ver onder me de aarde kon zien. Ik hoopte, dat ze me nu maar helemaal loslieten. Dan kwam er een eind aan deze verschrikking tot de lucht via donkerblauw en paars naar zwart verkleurde.

Tenslotte vlogen we in een groot duister universum. Dan lieten de vogels me los en hoorde ik hun geklapwiek in de verte verdwijnen. Ik viel niet. Ik lag op een stuk steen, misschien vier meter in omtrek, zoals ik bemerkte, toen ik in het duister rondtastte. De randen waren scherp en daaronder voelde ik alleen gladde rots, loodrecht naar beneden gaand. Het was ijzig koud en de pijn van mijn vele wonden en kneuzingen en de uitputting kwelden mij in volle hevigheid en deden mijn lichaam beven en heen en weer schokken.

Uren lag ik daar tot ik ver boven mij een licht zag naderen. Eerst leek het een gewone ster, maar allengs werd het groter en groter tot het stil bleef hangen. Een grote bol van licht, pulserend, alle kleuren van het spektrum uitzendend. Ik voelde een grote kracht, die me deed opstaan. Langzaam strekte ik me uit, mijn pijnlijke botten dwingend tot ik stond. Ik, mens, haveloos, gewond, slechts gekleed in flarden, overdekt met bloed en vuil, eenzaam, alleen.


VIa

Het licht scheen te zoemen. De bol begon sneller te pulseren, gloeide feller, dijde uit. Tot mijn netvlies leek te branden, mijn kleren vlam vatten. Leek te worden als het licht van duizend zonnen, als het licht van mijn handen. Het brandde in mijn ogen. Het brandde in mijn brein. Alles begon te draaien, sneller en sneller. Licht, nooit meer mensen.

De kale lamp aan de zoldering deed pijn, toen ik mijn ogen opendeed. De vuile matras, de kale houten muren, het tochtige raam. Ik stond op, traag, wankelde naar het raam en sloeg het glas stuk. Mijn hand begon te bloeden. Ver in de diepte raasde het verkeer. Metalen dozen, grommend en brullend. Monsters van Frankenstein hun scheppers overlevend. Bloed drupte nu van de vensterbank in de diepte. Ik keek de druppels na. Een eeuwigheid scheen het te duren voor ze beneden waren. Ik voelden mijn krachten afnemen. Dan gaf ik me over en liet de natuurwetten het vonnis uitvoeren.


VIb

Het licht scheen te zoemen. De bol begon sneller te pulseren, gloeide feller, dijde uit. Dan klonk een stem. Ik viel op mijn knieën. Een oude man in een lang wit gewaad verscheen in de bol. "Nee, U bestaat niet. U kan niet zijn." Er klonk bijna tederheid in de stem toen het antwoord kwam. "En op de zevende dag schiep de Mens zijn God naar zijn beeld en gelijkenis. Ik ben zoals je me geschapen hebt. Kijk mij aan, Vader." Langzaam hief ik mijn hoofd op. En ik keek in zijn ogen, in Mijn ogen. Ik viel op mijn zij, trok mijn knieën op. En zachtjes gleed mijn duim in mijn mond. Kalm sabbelend op mijn duim viel ik in slaap. Vol tederheid keek Hij op me neer, draaide zich om en ging geluidloos weg.


Utrecht, 30 november 1973